De patrouille bestond meestal uit 5 verkenners, er werd exact bepaald wie waar moest lopen.
De laatste verkenner had altijd nog een speciale opdracht, hij werd dan ook "haas" genoemd.
De "haas" had als extra opdracht, om, indien de patrouille in problemen dreigde te raken door b.v. contact met de vijand of in een hinderlaag te zijn geraakt, kostte wat kost te ontsnappen en de informatie die tot op dat moment vergaard was, door te geven aan zijn PC.
Het tenue van de patrouille was, gevechtstenue, vechtpet of baret zonder embleem en persoonlijk wapen.
Geen rammelende voorwerpen meedragen, gezicht en handen goed gecamoufleerd. De comandant heeft altijd een veldkijker-kompas en kaart bij zich.Op de kaart mogen uiteraard geen aantekeningen staan die van belang kunnen zijn voor de vijand.
Voor vertrek werd dit goed gecontroleerd door de commandant en even belangrijk was de informatie aan de patrouille.
Het spreekt voor zich, dat de commandant zijn mannen uitvoerig informeerde omtrent het gehele plan van uitvoering.
Tevens werd aangegeven de route terug.
Een verkenningspatrouille mag nooit dezelfde route terug.
Altijd dient dit een andere route te zijn voor het geval een "slimme" vijand de patrouille geobserveerd heeft en ze op de terugweg in een hinderlaag laat lopen